In het voorjaar van 2007 werd in het Marechausseemuseum een wisselexpositie geopend met als onderwerp Marius Cornelius Van Houten. Historicus J. Smeets, parttime medewerker van het museum, stelde de expositie samen rondom drie thema's. Te weten: de bewaking van keizer Wilhelm II, de internationale politiesamenwerking en de opsporingskunst. Inmiddels is de expositie verplaatst naar het Van Houtenkabinet in het weeshuis en permanent te zien.

kol van Houten
M.C. van Houten

POLITIEMAN EN MARECHAUSSEEOFFICIER

Wat maakte Marius van Houten eigenlijk zo'n bijzonder persoon. Allereerst is daar zijn rol als beveiliger en bewaker van de Duitse ex-Keizer Wilhelm II. Nadat Wilhelm in november 1918 naar Nederland was gevlucht en troonsafstand had gedaan, vertoefde hij eerst in Amerongen als gast van graaf Bentinck om in mei 1921 te verhuizen naar een kasteeltje in Doorn. Kort voor deze verhuizing werd van Houten als liaisonofficier tussen de ex-keizer en de Nederlandse regering aangewezen. Een uiterst delicate taak die veel tact vereiste.

Dit kwam omdat de Nederlandse regering in haar maag zat met de impulsieve en wispelturige Wilhelm. De geallieerden drongen aan op zijn uitlevering om hem voor een internationaal gerechtshof te brengen. Vooral Frankrijk en België ageerden fel tegen Nederland. België eiste zelfs delen van het zuiden van Nederland op. De Duitse regering had er belang bij dat hij niet naar Duitsland zou terugkeren. Als de ex-monarch de troon weer zou willen bestijgen vormde hij automatisch een bedreiging voor de nieuwe republiek. Politieke uitspraken van Wilhelm, die de Nederlandse regering in verlegenheid konden brengen, moesten worden voorkomen. Om aan die opdracht van de Nederlandse regering te voldoen begeleidde Van Houten Wilhelm zoveel mogelijk. In feite werd hij de schaduw van de keizer. Dit werk deed hij ruim twintig jaar waardoor tussen hem en de ex-keizer een vertrouwensband werd opgebouwd.

kol van Houten met keizer
In de tuin van Huis Doorn met keizer Wilhelm II. De keizer zit uiterst links en van Houten staat rechts erbij.

Ten tweede was Van Houten de initiatiefnemer voor het nieuw leven inblazen van de internationale politiesamenwerking, die door de Eerste Wereldoorlog was onderbroken. In 1919 maakte hij kennis met sir Basil Thompson toen hoofd van Special Branch van Scotland Yard. De Brit en de Nederlandse marechausseeofficier konden het goed met elkaar vinden en zij besloten een brief op te stellen die zij naar politie-instanties over de hele wereld zonden. In deze brief werden nationale politieorganisaties opgeroepen om mee te doen aan internationale symposia met de bedoeling de internationale politiesamenwerking te versterken. De respons op de brief was relatief groot en in 1923 resulteerden van Houtens inspanningen in het eerste naoorlogse politiesymposium in Wenen. In de jaren van het interbellum werd vrijwel ieder jaar een drukbezocht symposium in een andere hoofdstad georganiseerd.

Van Houten werd benoemd tot erelid van deze internationale politieorganisatie, die bekend zou worden als de Internationale Kriminalpolizeiliche Kommission (IKPK). Van Houten was bij vrijwel alle bijeenkomsten aanwezig en werd daarbij vergezeld door K. Broekhoff (inspecteur van politie te Amsterdam en medewerker van de inlichtingendienst GS III) en A. Sirks (hoofdcommissaris van Rotterdam). De drie mannen waren daar speciaal door de minister van Justitie voor aangewezen.

In de tweede helft van de jaren dertig werd de internationale politiesamenwerking een heikel punt. Na de machtsovername door A. Hitler in Duitsland probeerden de Duitsers grotere invloed binnen de IKPK te krijgen. Dit tot ongenoegen van Van Houten en andere collega's. Na de Anschluss, het inlijven door Duitsland van Oostenrijk in april 1938 was de groeiende invloed van de Duitsland echter niet meer te stuiten. Steeds meer deelden Duitse politiemensen, meestal SS'-ers, de lakens uit. In het begin van 1940 werd SS-generaal R. Heydrich, de architect van de holocaust, hoofd van de IKPK. Zijn aanstelling als hoofd van de internationale politieorganisatie had feitelijk echter weinig om het lijf aangezien een paar maanden daarvoor de Tweede Wereldoorlog was uitgebroken. Dit conflict had een eind gemaakt aan de coöperatie omdat Groot-Brittannië en Frankrijk het derde rijk de oorlog hadden verklaard. Nog gedurende de oorlog probeerden de Duitsers de schijn van internationale politiesamenwerking op te houden door de Nederlanders verscheidene keren uit te nodigen naar Berlijn te komen. Een nieuwsgierige Broekhoff ging op een uitnodiging in en verbleef een aantal dagen in de IKPK-villa aan de Wannsee. Van Houten bedankte met als reden zijn gebrekkige gezondheidstoestand.

Gedurende het interbellum was Van Houten op verschillende onderwerpen ook raadgever voor het Departement van Justitie. Zo had Van Houten zich de wetenschappelijke opsporingskunst zo eigen gemaakt, dat hij de minister met goed advies kon dienen. Een voorbeeld daarvan is de discussie op welk vingerafdruk- of dactyloscopiesysteem de Nederlandse politie diende over te gaan. Van Houten maande de minister zich niet te laten meeslepen door al te enthousiaste officieren van justitie en met beleid te kiezen voor een relatief eenvoudig en eenduidig systeem. Verder was er de zogenaamde "Leichentoilette". Dit was een koffer met opmaakspullen en glazen ogen waarmee in ontbinding verkerende lijken toonbaar konden worden gemaakt en gefotografeerd. Dit alles om de identificatie te bevorderen en een mogelijke dader van moord of doodslag aan te houden. Ook met de vraag hoe precies het Algemeen Politieblad het best in te richten heeft Van Houten zich beziggehouden.

kol van houten in Wenen
Politiecongres Wenen 1932. In het midden met strooien hoed hoofdcommissaris A. Sirks van Rotterdan en rechts van hem Van Houten met lichte jas en aktetas

In 1936 ging Van Houten in de rang van kolonel met pensioen. In datzelfde jaar had hij zich vooral beziggehouden met het inrichten van een Marechausseemuseum. Dit museum werd op 31 oktober 1936 officieel geopend en was ingericht in een lokaal, dat zich op het depot Koninklijke Marechaussee te Apeldoorn bevond. Dit is de reden waarom Van Houten kan worden gezien als de feitelijke oprichter van het eerste politiemuseum van Nederland. In datzelfde jaar werd hij benaderd om directeur te worden van het Legermuseum. Die functie aanvaardde hij, toen nog onwetend dat een deel van de collectie van het Legermuseum in 1944 door oorlogshandelingen in de as zou worden gelegd. Het kasteel Doorwerth, waar een deel van de collectie was opgeslagen, werd toen vrijwel geheel verwoest. Toch wist hij met tact, list en overredingskracht het Legermuseum door de woelige jaren van de Tweede Wereldoorlog te loodsen. Niet altijd maakten de Duitsers het hem makkelijk als het erom ging de collectie bij elkaar te houden. Hoe het ook zij, Van Houten slaagde daar wonderwel in. Na de Tweede Wereldoorlog werd het Legermuseum heropend in het Pesthuis te Leiden. Tot aan zijn dood in 1953 was kolonel b.d. Van Houten daar directeur.

Het huwelijk van het echtpaar Van Houten-van Delden bleef al die jaren kinderloos. Aangezien beide echtlieden redelijk vermogend waren, besloten zij tot de oprichting van de Stichting Van Houten. De bedoeling was dat deze stichting marechausseepersoneel en familieleden dat buiten hun schuld in de problemen was geraakt zou steunen. Verder was de stichting bedoeld om het Marechausseemuseum financieel bij te staan en op deze wijze het erfgoed van de Koninklijke Marechaussee tot in lengte van dagen te behouden.

Met het overlijden van Van Houten stierf een bijzonder politieman en marechausseeofficier. Een man die vaak blijk gaf van visie, maar ook van een grote liefde voor het verleden en meer speciaal de geschiedenis van de Nederlandse politie. Een groot politieman en marechausseeofficier.

 

Koninklijke Marechaussee

Historisch Museum der Koninklijke Marechaussee - Weeshuiswal 9 - 4116 BR Buren - 0344-571256

Webdesign door Dinkel Systems