In 1909 kreeg de Marechaussee een eigen inspecteur, de luitenant-kolonel G.A. van Haeften. In hetzelfde jaar had HM Koningin Wilhelmina de wens te kennen gegeven dat de beveiliging van het Paleis 't Loo door marechaussees diende te geschieden en werd de bewaking overgenomen van het tuinpersoneel, ook wel de klompenwacht genoemd.
Tijdens de mobilisatieperiode van 1914-1918 hield de marechaussee tijdelijk het politietoezicht over het gemobiliseerde Nederlandse leger. In 1919 werd het Korps Politietroepen opgericht om de binnenlandse rechtsorde te handhaven en de demobilisatie in goede banen te leiden. Het politiebestel werd gevormd door de Gemeentepolitie, het Korps Politietroepen, de Rijksveldwacht en de Koninklijke Marechaussee. Op 29 oktober 1931 reikte Koningin Wilhelmina, gezeten te paard en in bijzijn van prinses Juliana op Paleis 't Loo de Standaard uit aan het Wapen der Koninklijke Marechaussee. Tot 1940 vervulden de Rijksveldwacht en de Koninklijke Marechaussee de rijkspolitiediensten. Op 5 juli 1940 ging de marechaussee op in de burgerpolitie waarmee zij de militaire status verloor en op last van de Duitse bezetter verloor de marechaussee tevens het predikaat 'Koninklijke'. De Gemeente- en Rijksveldwacht werden opgeheven en ondergebracht bij de marechausssee. Zo ontstond er buiten de steden één Rijkspolitiekorps onder de naam marechaussee. De naam Koninklijke Marechaussee bleef echter wel in het buitenland bestaan. Ongeveer tweehonderd marechaussees uit het zuiden des lands verzorgden tijdens de bezetting de beveiliging van de Koninklijke familie in Engeland en vervulden politiediensten bij de Prinses Irenebrigade. De in Nederland achtergebleven marechaussees maakten
een moeilijke tijd door. Velen konden zich niet verenigen met de hun opgedragen
diensten en namen ontslag. Zij die bleven, zaten soms in het verzet waarin
velen het leven lieten of waren 'fout', hetgeen het voor de goedwillende
nog moeilijker maakte. Na de bevrijding in 1945 kreeg de Koninklijke Marechaussee
weer de status van een militair politiekorps met zowel militaire als civiele
taken.
Na de oorlog heeft de Koninklijke Marechaussee verscheidene taken op zich genomen, die in 1954 vastgelegd zijn in een Koninklijk besluit en vervolgens in de Politiewet van 9 december 1993 zijn opgenomen. Deze taken zijn: Beveiliging: Politietaak Burgerluchtvaartterreinen; Politietaak Defensie; Assistentieverlening, Bijstand en Samenwerking; Handhaving Vreemdelingenwetgeving: Recherchetaken; Civiele vredes- en internationale taken. In 1956 geeft, de net 18 jaar geworden H.K.H. Prinses Beatrix Haar toestemming tot het zijn van 'Schutsvouwe' van het Wapen der Koninklijke Marechaussee. In 1979 doet de eerste vrouw haar intrede bij de Koninklijke Marechaussee en zij is inzetbaar voor alle taken zowel in binnen- als buitenland en op 25 maart 1998 besluit de minister van Defensie het Wapen de hoedanigheid te verlenen van vierde krijgsmachtdeel. |